Rouw als taboe

Wonen met zorg

Rouw als taboe

Mieke Philippi
Auteur Mieke Philippi 21 maart 2019

Ik sta naast het bed van meneer Savelberg.
 ‘Potverdorie, wat heeft u gedaan?’ denk ik verdrietig. Zijn ogen zijn gesloten en zijn ademhaling laat af en toe een steekje vallen. 

Ik heb net een week vakantie gehad. De laatste dag voor ik vertrok, ben ik nog met hem naar het ziekenhuis gereden om een röntgenfoto en scan te laten maken van zijn been. We dachten dat hij een trombosebeen had. Gewapend met een dikke reep chocolade in mijn jaszak voor als hij trek zou krijgen, gingen we op weg. Voor chocolade kon je hem wakker maken. Zelfs op een moment als dit, terwijl ik uit alle macht zijn schoenen probeerde uit te doen voor de röntgenfoto, leidde het hem af van alle ongemak. Hij had nergens anders meer aandacht voor. 

Met een brok in mijn keel kijk ik naar de man die pas een paar maanden geleden is komen wonen in Wijkzorgcentrum Firenschat. Ik kan het niet laten om mijn ongeloof te uiten, al denk ik niet dat hij me nog hoort. Ik realiseer me hoe ik in die korte tijd aan hem gehecht ben geraakt. Hij kwam binnen als bewoner en groeide uit tot vaderlijke vriend. Toen ik met hem kennis maakte, had ik nooit voorzien dat hij zo'n indruk op me zou maken. Hij is lang en oogt soms wat oninvoelbaar, maar al snel leerde ik hem kennen. Hij hielp mee met opruimen in de woonkamer na het eten, klaagde nooit en legde regelmatig vaderlijk een hand op mijn schouder en zei: “Is goot kindj. Danke.” 

Nu sta ik naast zijn bed. Hij is stervende. Ik wou dat ik nog wat langer kon blijven, maar er zijn nog veertien andere mensen die op mij rekenen vanavond. “Ik kom straks terug”, zeg ik terwijl ik over zijn hand strijk en ik draai me gauw om voordat de eerste tranen opkomen. Gelukkig komen zijn echtgenote en kinderen zo meteen weer waken. Dan is hij in ieder geval niet alleen. Ik zet alvast verse koffie en thee voor ze, maak het dienblad op en zet er wat koekjes bij. 

De plaats van verdriet in de maatschappij

Ik weet niet goed wat ik tegen zijn familie moet zeggen. In de huidige maatschappij lijkt alles te draaien om het hebben van geluk en plezier en krijgt verdriet geen plek. Op social media lijkt iedereen vooral te willen laten zien hoe gelukkig ze zijn, hoewel iedereen ooit met afscheid, verlies en rouw te maken krijgt. Wat mag nog gezegd worden als mensen hun echtgenoot, vader, broer of neef verliezen? 

Rouw en het gemis van een dierbare zijn zelfs in de gezondheidzorg vaak een taboe. Veel medewerkers blijken zelf een drempel te ervaren in contact met iemand die een dierbare is verloren. Ondanks dat ik in gevoel meeleef, ervaar ook ik soms die drempel om het contact op een juiste manier aan te gaan.

Goed advies

Daarom was ik dankbaar toen ik de lezing over rouwverwerking bij MeanderGroep kon bijwonen. Professor dr. em. Manu Keirse, klinisch psycholoog, gaf goede adviezen. ‘Luister’, zei hij, ‘luister naar hun verhaal, dat is het enige wat je kunt doen. Rouwverwerking bestaat niet, maar een verlies overleef je. Gemis gaat nooit over, maar ooit zullen de herinneringen aan het leven van de geliefde persoon het verdriet overstijgen.’ 

En nog een tip die me bijbleef. ‘Vraag nooit ‘hoe gaat het met je?’ als een persoon net een dierbare heeft verloren, maar vraag: ‘Hoe ben je de laatste tijd doorgekomen?’ Daarmee geef je iemand de ruimte om een echt antwoord te geven en voorkom je een politiek correct antwoord.’
Dat ga ik vanaf nu dus doen. 


De naam van de bewoner is om privacyredenen gefingeerd.

Auteur

Mieke Philippi

Tijdens mijn werk als HBO-Verpleegkundige Gerontologie Geriatrie in wijkzorgcentrum Firenschat krijg ik met veel verschillende situaties, mensen en emoties te maken. Als hobby schrijf ik graag over zaken die me opvallen en raken.